Korte Verhalen



Offerande

Historische fantasy

Als Eduard van Oldeloo met zijn metaaldetector naar een bouwterrein gaat, dat op de plek van een voormalig veenmoeras ligt, komt hij oog in oog te staan met een raaf. Gekscherend vraagt Eduard het dier of hij hem de weg wil wijzen naar een schat, niet vermoedend wat voor gruwelijke vondst hij zal doen...

De opkomende zon liet haar matte licht schijnen op de ochtendnevel. Eduard van Oldeloo snoof de geur van het veen op. Zijn leven lang had hij daar al iets mee. In zijn kinderjaren was hij er bang voor geweest. Hij had heilig in veenheksen geloofd, waar hij meer dan eens nachtmerries van gehad had, volledig in de ban van de volksverhalen uit zijn geboortestreek. Later had hij geleerd dat het veen vaak goed geconserveerde archeologische vondsten verborg en zijn nieuwsgierigheid had zijn angst verdreven. Achter het hek van het bouwterrein zag hij diepe voren die het land doorsneden. Er waren sloten aangelegd om het water, dat de drainagepompen uit het veen haalden, af te voeren en langs die sloten lagen de stomende hopen zwarte aarde waar hij voor gekomen was.
Zonder veel moeite lukte het Eduard de omheining te slechten. Hij legde zijn metaaldetector aan de andere kant van het hek op de grond, klom er behendig omheen en pakte het apparaat weer op. Hij was als een kind zo blij met de metaaldetector. Misschien hadden zijn vroegere angst en latere fascinatie voor het veen hem wel in de richting van amateurarcheologie geduwd. Jaren lang had hij met zijn handen in de aarde gewroet, op zoek naar herinneringen aan het verleden en inmiddels had hij een aardige collectie voorwerpen bij elkaar verzameld. Hoewel de geldwaarde van de objecten die hij boven de grond haalde hem niet zo interesseerde, had het zien van een programma over een man die een belangrijke Saksische goudschat gevonden had, hem overgehaald zelf ook een metaaldetector aan te schaffen.
Nog voor hij zijn koptelefoon op kon zetten, hoorde hij de vleugelslag van wat hij dacht dat een buizerd was. Langzaam, om het dier niet te laten schrikken, rechtte hij zich. Tot zijn verbazing troffen zijn ogen geen bruine, maar een forse, zwarte vogel die neerstreek op een tak van een van de witte abelen. Prompt viel Eduards mond open. Hij had er nog nooit een gezien, maar wist direct dat dit een raaf was. Het kostte hem moeite zijn enthousiasme in te tomen. Hij viste zijn mobieltje uit zijn binnenzak om het dier op beeld vast te leggen. De raaf bleef onverstoorbaar op de tak zitten terwijl Eduard drie foto’s maakte. Daarna borg hij zijn mobieltje op en verplaatste zijn aandacht terug naar het veen. Hij drukte zijn metaaldetector aan en zette zijn koptelefoon op. Hij bepaalde de grondontstoring en zodra de discriminatie goed ingesteld was, zette hij zich in beweging.
Na amper tien stappen, hoorde hij opnieuw de vleugelslag van de raaf. Het dier vloog over hem heen en landde bovenop de hoop veen voor hem. Daar bewoog het zijn kop omlaag, zette zijn kraagveren op, en kraste lang en diep. Een verraste glimlach trok Eduards mondhoeken omhoog. Met één handbeweging verplaatste hij de koptelefoon van zijn oren naar zijn hals.
“Wat is dat nu... Wil je me helpen?”
Als reactie kreeg hij een nieuw krasgeluid terug. Hij lachte jongensachtig bij de gedachte dat kraaiachtigen van glimmende voorwerpen houden en grapte: “Weet jij misschien of hier een schat verborgen ligt? En zo ja, wil je me die dan aanwijzen? Ik wil wel eens iets interessants vinden!”
Prompt draaide de raaf zich om en liep in de richting van de zon. Binnenin Eduard speelde zich een tweestrijd af. Zijn instinct zei hem dat hij het dier moest volgen, maar zijn gezonde verstand lachte hem uit. Geloofde hij nu werkelijk dat deze vogel hier gekomen was om hem een schat te wijzen? Dat was absurd!

Verder lezen? Koop de verhalenbundel Millennium

Naar boven


Het koffie-cognac débacle

Urban sf met een horrortwist

Het zit Maarten niet mee. Op zijn negenenvijftigste wordt hij zonder pardon op staande voet ontslagen. Met grote stappen loopt hij door het park naar huis en alsof hij nog niet genoeg ellende heeft, laat een joekel van een vogel een kwak drek los boven zijn hoofd. Dat is echter pas het begin van een ware nachtmerrie...

“U kunt uw spullen inleveren en vertrekken. En u hoeft niet terug te komen.”
Verbijsterd keek Maarten onderdirecteur Edelman aan terwijl duizend angstige gedachten door zijn hoofd spookten.
“Maar...”
“Geen gemaar, De Vries!”
Edelman richtte zijn aandacht op het beeldscherm van zijn computer en deed alsof Maarten lucht was. Woedend beende deze het kantoor uit.
In het magazijn zag hij hoe zijn collega’s hem schichtige blikken toewierpen. Niemand kwam voor hem op. Ze waren allemaal te zeer begaan met hun eigen hachje. De magazijnchef schonk hem een neerbuigende grijns en wendde zich tot de rest van de werkvloer.
“Vooruit, aan het werk. Aapjes kijken is voorbij!”
Maarten balde zijn vuisten. Hij wist precies wie hem aan Edelman had verlinkt.
“Ik krijg je nog wel, druiloor! Nu kom ik nergens meer aan de bak!”
“Dat heb je echt aan jezelf te danken,” meesmuilde de chef.
Verslagen verliet Maarten voor de laatste keer de zaak.

Daar liep hij dan. Negenenvijftig jaar, op staande voet ontslagen, en alleen maar om het meenemen van wat spulletjes. Alsof de zaak daar last van had! Edelman wilde gewoon een voorbeeld stellen en daar was hij het slachtoffer van. Nu zou geen baas hem nog willen hebben; dit ontslag zou als een brandmerk op zijn voorhoofd staan.
Met grote stappen doorkruiste Maarten het park op weg naar huis. Zijn hoofd maalde. Deze baan was ideaal geweest: aan te lopen vanuit huis, mooie werktijden en volop gratis artikelen. Maar met die instelling had hij zich dus flink in de vingers gesneden. Hoe kon hij dit ooit aan Rietje uitleggen? Het was allemaal de schuld van die smeerlap van een…
Op dat moment wierp een joekel van een vogel een schaduw over hem. Het volgende moment was het “flats”! Het beest had een ongelooflijke kwak drek boven zijn hoofd losgelaten; het spul droop over zijn voorhoofd, langs zijn linkeroor en in zijn nek.
“Gadverdegadverdamme! Smerig rótbeest, vlooienbaal!”
Maarten had geen oog voor de mensen in het park, die van schrik opzij sprongen door zijn getier. Hij veegde de drek van zijn hoofd en vervolgde scheldend zijn weg naar huis. Daar aangekomen bonsde hij op de voordeur tot Rietje deze ontzet opentrok.
“Maar... Hemeltjelief, Maarten! Wat zie je eruit!”
Maarten stoof langs haar heen naar binnen, intussen zijn woede en frustratie uitschreeuwend.
Riet begreep er niets van. Hij had het over schijtende vogels en over zijn chef die - wat hem betrof - ook de schijt kon krijgen, maar veel chocola kon ze er niet van maken.
Slechts even liet ze haar schrik de boventoon voeren, toen trok ze hem resoluut mee de trap op.
“Kom op, naar de douche jij.”
Een half uurtje later zat Maarten met een gezicht als een onweerswolk aan de eettafel. De vogelpoep was van zijn hoofd verdwenen, al zag Rietje bij zijn oor nog wel een spoortje wit. Dat zou ze straks wel wegvegen, nu hield ze er wijselijk haar mond over. Na bijna veertig huwelijksjaren wist ze dat als de zaken niet gingen zoals Maarten wilde, hij net een rommelende vulkaan was. Zij kende natuurlijk allang het wondermiddel om hem weer rustig te krijgen.
“Koffie, lieverd? Met een scheutje cognac erin?”
Dat het deze keer goed mis was, bleek wel uit het feit dat hij niet eens glimlachte bij het horen van haar ‘toverspreuk’. Hij knikte slechts, zijn gezicht nog altijd boos en zijn schouders stijf naar elkaar toe getrokken.
“Doe maar een dubbele.”

Verder lezen? Koop de verhalenbundel Millennium

Naar boven


Verschoten herfst

Horror, fantasy

De verdwijning van kleine Myrthe heeft de bewoners van het dorp opgeschrikt, de moeder van Simone niet uitgezonderd. Ze heeft haar dochter dan ook dringend gevraagd niet in het bos te gaan wandelen met haar hond Bouncer. Voor Simone is dit onmogelijk. Ze voelt haar hele leven al een diepe verbondenheid met de herfst en met het ouder worden, is ze hem zelfs gaan zien als een minnaar. Deze keer voert de herfstwandeling Bouncer en Simone echter een bizarre wereld binnen...

“Bouncer, pak de bal!”
Simone duwde haar verwaaide haren achter haar oren en lachte. Als Bouncer opgewonden was, leek hij zichzelf voorbij te willen rennen. In het kleurenschouwspel van de herfst viel de grijze husky compleet uit de toon. Hij dook in de berg bladeren waar de tennisbal in verdwenen was tot hij er bijna helemaal door bedekt werd. Lang duurde het niet, want de berg begon te schudden rondom de zoekende hond en viel vervolgens uit elkaar. Bouncer gooide de bal een stukje de lucht in en ving hem triomfantelijk op. Met zijn trofee in zijn bek ging hij er vandoor, terwijl Simone hem tevergeefs ‘blijf’ na riep.
Na een poosje uitgelaten rennen, eindigde Bouncer aan Simones voeten. Hijgend en met zijn tong uit zijn bek bedelde hij dat het spel maar opnieuw mocht beginnen.
Er stond een straffe wind die af en toe gepaard ging met stuifregen, maar dat deerde Simone niet. Ze snoof de zoetige geur van bladeren en natte aarde op en stak haar tong uit om de regen op te vangen. Haar hele leven al voelde ze een diepe verbondenheid met de brengers van de seizoenen, maar vooral de herfst had haar hart gestolen. Met het ouder worden, was ze hem gaan zien als een minnaar die haar bloed sneller liet stromen. In haar gedachten manifesteerde hij zich in de bladeren die, opgezweept door de wind en de regen, door het bos wervelden, glinsterend als edelstenen telkens als er een felle opklaring door het wolkendek brak.
Heel even hoorde Simone in haar hoofd de bezorgde stem van haar moeder terug. Gezien de gebeurtenissen van de laatste dagen had zij haar gewaarschuwd om niet het bos in te gaan. Maar hoe kon ze haar minnaar in de steek laten en niet naar buiten gaan, alleen maar om geruchten over ‘enge mannen’ die volgens haar kant noch wal raakten?
Bouncer maakte clowneske sprongen en eindigde zijn kolder vlak voor haar voeten. Hij liet de bal los en wierp haar een smekende blik toe. Toen ze niet vlug genoeg naar zijn zin reageerde, zette hij zijn smeekbede kracht bij door kort te blaffen. Grinnikend boog Simone voorover om hem over zijn kop te aaien, een gebaar dat hij ongeduldig afschudde. Hij blafte opnieuw en wisselde zijn blik tussen haar en de bal, in afwachting van de hervatting van het spel.
“Wat wil je? Wil je rennen?”
Snel griste Simone de bal van de grond en rechtte haar rug.
Op het moment dat ze wilde gooien, zag ze links in haar ooghoek een beweging die anders was dan die van de bladeren. Haar hartslag versnelde en ze keek naar opzij. Geruchten of niet, haar moeder had haar eigenlijk laten beloven dat ze niet het bos in zou gaan. Om van haar af te zijn, had ze ingestemd, maar achter haar rug had Simone heimelijk haar wijsvinger en middelvinger gekruist gehouden.
De verdwijning twee dagen geleden van kleine Myrthe Scholtens had de bewoners van het dorp opgeschrikt, haar moeder niet uitgezonderd. Praktisch iedereen was ervan overtuigd dat er kinderlokkers in de buurt moesten zijn, maar Simone dacht er het hare van.
Dorothé en Gerard Scholtens, de ouders van Myrthe, waren nog niet zo lang geleden gescheiden. Simone was bijna twee jaar lang de vaste oppas geweest bij de Scholtens als zij gingen kaarten en ze wist uit de eerste hand dat aan de scheiding de nodige ruzies vooraf gegaan waren. Lange tijd had Dorothé het jaloerse en bezitterige gedrag van haar man vergoelijkt, totdat ook voor haar de tijd gekomen was om zich niet langer door hem te laten ringeloren. Het had Simone dan ook niet verbaasd dat zij Gerard de omgang met Myrthe verboden had. Maar zoals zij Gerard kende, vermoedde ze dat hij dat nooit zonder slag of stoot zou pikken. Ze durfde er alles om te verwedden dat hij zijn prinsesje, zoals hij Myrthe liefkozend noemde, stiekem had meegenomen om Dorothé dwars te zitten.
Links van haar, bij het bosmeer waar de wind witte schuimkoppen op blies, dacht Simone een verdwijnende schim te zien. Met samengeknepen wenkbrauwen tuurde ze in de verte, maar ze kon niets bijzonders ontdekken. Uiteindelijk besloot ze dat ze zich de schim ingebeeld had.
Haar aarzeling had de husky inmiddels afgeleid van het spel. Met zijn neus snuffelend boven de grond sloop hij in de richting van het water. Het zag eruit alsof hij iets ondeugends van plan was. In de zomer vormde het bosmeer een grote verleiding voor hem en Simone wist dat haar moeder niet blij zou zijn als hij straks drijfnat het huis binnen zou stormen. Met een zwaai gooide ze daarom de bal in de andere richting en riep: “Pak de bal, Bouncer!”
Het ritueel herhaalde zich. Bouncer stoof achter de bal aan en Simone volgde hem. Minstens zo uitgelaten als hij, schopte ze tegen de bergen bladeren. Vlakbij een eeuwenoude beuk ontwaarde ze een enorme berg. Ze beeldde zich in dat het haar herfstminnaar was, die haar smeekte om in zijn armen te komen liggen. Met een gelukzalige lach op haar gezicht spreidde ze haar armen en liet zich pardoes achterover vallen.
De hoop voelde donzig aan. De natte bladeren vielen als een satijnen laken over haar gezicht en stuurden de bedwelmende geur van de herfst haar neus binnen. De drang om zich helemaal onder de bladeren te begraven, liet haar giechelen en maakte dat ze als een aal begon te kronkelen.
Plotseling hoorde ze Bouncer boos blaffen, alsof hij zich bedreigd voelde. Zijn geblaf werd gevolgd door een luide knal die Simones trommelvliezen liet vibreren. Onmiddellijk daarna vulde een ijzingwekkend gejank het bos. Simones hart viel een angstige seconde stil, voor het op dubbele snelheid verder sloeg. Ontzet wilde ze overeind springen, maar het bladerdek leek veranderd van satijn in lood. Het hield haar als aan de grond genageld.
Geschrokken hapte ze naar adem en riep: “Bouncer? Bouncer!”
Met uiterste krachtsinspanning wist ze zich met handen en ellebogen in een zittende positie te werken. Haar ogen brandden terwijl ze opnieuw Bouncers naam riep. Op haar kreet volgde een tweede knal, waarvan het geluid als een schokgolf haar hoofd binnendrong. Met de snelheid van het licht trilde deze van haar kruin tot aan haar tenen door haar lichaam om er via haar voeten weer uit te schieten. Krachteloos viel ze terug in de bladeren. Bouncers gejank werd hoger en hoger, tot het abrupt eindigde. Als een innige omhelzing sloot op dat moment het bladerdek zich rondom haar. Blinde paniek spoorde Simone aan om te gillen. Ze wilde om zich heen slaan, maar op de een of andere manier ontbrak het haar aan de benodigde energie.
Een naargeestige stilte vulde nu het bos. Niet alleen de wind was gaan liggen, maar alles leek te zijn gestopt. Als een blok beton lag Simone op de grond, onmachtig om zich te bewegen. Onder haar leek de bosbodem te veranderen in een warme, geleiachtige massa waar ze onverbiddelijk in wegzakte. Vanuit haar ooghoeken zag ze een fluorescerende drek omhoog komen. Het spul lichtte smaragdgroen op door de zonnestralen die er gefilterd door de bladermassa bovenop vielen en het pulseerde, alsof het het bloed van de aarde was. Met elke hartslag drong het spul verder omhoog. Het drong haar oren, neus en mond binnen en in een poging naar adem te happen, slikte Simone het noodgedwongen in. Dat ontaarde in een gorgelend gehoest en toen al haar holtes volgelopen waren en ze geen adem meer kreeg, liet het zuurstofgebrek haar wereld opgaan in een gigantisch, groen vuurwerk.

Verder lezen? Koop de verhalenbundel Terraanse vertellingen!

Naar boven


Spiegelwereld

Horror of psychologische thriller? Oordeel zelf...

Edwin maakt mee wat geen ouder ooit zou mogen meemaken: zijn dochtertje Kaylee wordt voor zijn ogen doodgereden. Het betekent ook het einde van zijn eigen leven. Hij kan niet meer werken, zijn huwelijk loopt op de klippen en als ook nog eens de moordenaar van zijn kind binnen drie jaar vrijkomt uit de gevangenis, knapt er iets in hem. Een duister wezen in de spiegel spreekt hem aan. Het wezen beweert dat in de spiegelwereld alles kan en dat brengt Edwin op een waanzinnig idee...

“Kijk, daar is mama!”
“Kaylee, niet oversteken, hoor!”
“O, maar ik ben voorzichtig, papa, ik neem het zebrapad!”
De zomerzon verspreidt zijn stralen vanuit een wolkenloze hemel, luidruchtig winkelpubliek beweegt zich voort in een kleurige optocht aan weerszijden van de drukke weg. Edwin hoort Kaylees heldere stem boven alle geluiden uit. Haar blonde haren dansen terwijl ze vooruit rent, haar gele jurkje bolt op in de bries. Plotseling is het alsof hij naar een vertraagde film kijkt en in een fractie van een seconde overvalt hem een zwarte angst. Wat als ze...
“Kaylee, kijk uit!”
Over haar schouder werpt ze hem een stralende blik toe. Als een onaards wezentje rent ze naar het zebrapad, dat voor haar veiligheid symboliseert. Paniek overvalt hem. Hij wil naar haar toe rennen, maar is niet snel genoeg. Het geluid als van een brullend monster hamert op zijn trommelvliezen. Dan weerklinkt het gieren van remmen en het slippen van banden. Zijn stem slaat over als hij brult: “Kaylee!”
Een hoge gil. Een klap. Nog meer gegil, dan doodse stilte. De wereld staat stil.
Hij wil haar niet zien. Niet de Kaylee die geschept wordt door een zwarte Golf, die als een lappenpop door het luchtruim vliegt en met een smak op de grond belandt.
Ineens draait de wereld weer. Net als zijn maag. Edwin strompelt naar haar toe. Binnenin hem heeft de warmte plaatsgemaakt voor vrieskou, kippenvel spant zijn huid strak. Om hem heen hoort hij gegil, gejammer. Hij valt op zijn knieën op een met bloedspetters besmeurde witte balk. Miranda is degene die jammert. Net als hij valt ze op haar knieën en kruipt naar de plek waar hun kind ligt. Kaylees gezicht is veranderd in een onbestemde, roodgrauwe massa en haar ledematen zijn grotesk uitgespreid. Het voorwiel van de auto houdt haar linkerarm vastgenageld aan het asfalt, als een pitbull die een slachtoffer vast heeft, niet van plan ooit nog los te laten.
Het geluid van een opengaand en dichtslaand portier dringt tot hem door, gevolgd door dat van haastige voetstappen en een kreet van ontzetting. Edwin kijkt op en zijn blik ontmoet een paar uitpuilende ogen in het grauwe gezicht van een man. Hij rukt zijn ogen van hem los om naar het levenloze lichaam van zijn kind te kijken. Op dat moment dringt de gruwelijke werkelijkheid tot hem door. De koude die hem in de greep had, maakt plaats voor gloeiende hitte. Hij brult en springt overeind, is met twee grote stappen bij de bestuurder van de Golf. Zijn handen sluiten zich rond de nek van de onverlaat en met alle kracht die in hem zit, schudt hij hem door elkaar en bonkt hem tegen de auto aan. Dan gonst het van de stemmen, het geloei van sirenes vult de lucht, armen grijpen de zijne vast. Een ongelijke strijd ontbrandt en laat hem achter als verliezer.

Verder lezen? Stel je boek samen bij Parelz!

Naar boven


Onverwacht kerstgeschenk

Drama, levensverhaal

Arnoud Koppens ziet niets in een vaste relatie. Het huwelijk en de scheiding van zijn ouders hebben hem een zekere mate van bindingsangst bezorgd. Dan staat ineens Dani voor de deur, de vrouw op wie hij ooit verliefd was, maar die na hun derde nacht samen uit zijn leven verdween. Ze ziet er belabberd uit en stelt hem een bijzonder vreemde vraag. Dan verdwijnt ze opnieuw uit zijn leven. Als hij haar in december toevallig in de stad weer tegenkomt, doet hij er alles aan te achterhalen wat er met haar aan de hand is.

De deurbel ging op precies het juiste moment. Alice, de vrouw die er alles aan deed om het liefst nog voor de kerst gepromoveerd te worden tot zijn vriendin, hing al bijna twintig minuten aan de telefoon. Arnoud hield haar systematisch op afstand, maar het kostte hem steeds meer moeite om haar duidelijk te maken dat hij geen trek had in een vaste relatie met haar.
‘Sorry, Alice,’ onderbrak hij haar, ‘er staat iemand voor de deur.’
Het dringende gebel weerklonk nogmaals.
‘Nou en? Je hoeft niet open te doen, dit gesprek is belangrijk, Noud. Of verwacht je soms iemand?’
Arnoud lachte om haar achterdocht.
‘Maakt dat wat uit dan? Wat mij betreft is alles duidelijk, maar als je er behoefte aan hebt, dan praten we later wel verder.’
Zonder haar reactie af te wachten verbrak hij de verbinding om te kijken wie er aan de deur was.
‘Rustig maar, waar is de brand?’ mopperde hij binnensmonds en trok de deur open.
Verstoord keek hij naar de vrouw die haar hand terugtrok van de bel en een stap achteruit zette. Ze was klein van stuk en moest naar hem opkijken om zijn blik te vangen. Twee grote, bruine ogen keken hem schichtig aan en een gevoel van herkenning overviel hem.
‘Arnoud Koppens?’ Haar stem klonk benepen. Arnoud knikte als antwoord terwijl zijn geheugen hem razendsnel een herinnering toonde.
‘Hé, lekker ding! Wat denk je ervan? Zullen we samen verder feesten?’
Het was warm en druk in feestcafé de Après Skihut, waar tachtig procent van de gasten uitbundig bewoog op de veel te kleine dansvloer. Het zwartharige elfje had al een tijdje zijn aandacht weten te trekken. Haar verhitte gezicht glansde in het felle licht, dat van haar ogen smeulende kolen maakte. Hij wilde niets liever dan zich aan ze branden. Ze droeg een strakke broek van glimmende stof met erboven een topje dat haar buik onbedekt liet en haar stevige borsten zeer appetijtelijk liet uitkomen. Nou en of hij samen met haar verder wilde feesten!

‘Dani?’
Een trilling in haar rechtermondhoek vertelde hem dat hij haar naam geraden had.
‘Ik wil even met je praten. Kan dat?’
Wat hij zich herinnerde, had zich een aantal jaren geleden afgespeeld. Haar naam was eigenlijk Daniella, maar ze ging door het leven als Dani en haar achternaam had geklonken als ‘Pradesh’. Gefeest hadden ze, drie avonden en nachten achter elkaar. Als iemand het hem toen gevraagd had, had hij misschien wel gezegd dat hij verliefd op haar was. Maar na de derde nacht verdween ze uit zijn leven, zonder haar telefoonnummer of adres achter te laten. Het was geweest alsof ze niet bestaan had.
‘Ja, natuurlijk kan dat. Kom binnen.’

Verder lezen? Stel je boek samen bij Parelz!

Naar boven


Een zaak van leven of dood

Horror

Gregor wordt wakker in een desolate zandwoestijn onder een naargeestige, rode hemel. Op die plek heeft hij een ontmoeting met de Dood. Doorgaans betekent zo’n ontmoeting dat er geen hoop meer is, maar deze keer heeft de Dood goed nieuws voor Gregor. Hij doet hem een voorstel, waarmee Gregor zijn eigen leven redden kan...

Het zwart en de stilte waren volkomen. Gregors enige besef was dat hij bestond, maar waar hij zich bevond was hem even duister als zijn omgeving.
Plotseling, uit het niets, vulde een krijsend geluid zijn gehoor. Het zwart om hem heen bleek niets meer te zijn dan ondoorzichtig papier, waar een vuist ongenadig doorheen beukte. Tegelijk met de vuistslag stroomde licht zijn gedachtewereld binnen, dat gevolgd werd door een enorme knal die een einde maakte aan het gekrijs en in één keer het meeste licht verslond. Al wat achterbleef, was een pulserende, donkerrode gloed.
Gregor hapte naar adem. Hij werd zich weer gewaar van zichzelf en keek om zich heen. Knipperend met zijn ogen voelde hij hoe zijn verbazing plaatsmaakte voor ongeloof. Hij stond middenin een zandwoestijn die zich uitstrekte voor zover zijn oog reikte. Hier en daar reikten de bladerloze takken van verdorde bomen naar de hemel. Kriskras in het desolate landschap lagen stenen uitgestrooid. Gregor zag zelfs een aantal verbleekte skeletten liggen van dieren die zich hier niet hadden weten te redden.
‘Het ziet er niet goed uit,’ hoorde hij een sarcastische stem achter zich zeggen. ‘Of beter gezegd, jíj ziet er niet goed uit.’
Geschrokken draaide Gregor zich om en zijn blik trof de eigenaar van de stem. Het was een man die op een laaghangende tak van een dode boom zat met één been opgetrokken en zijn handen eromheen gevouwen. Hij leunde nonchalant tegen de boomstam.
‘Waar... b...ben ik,’ stamelde Gregor die nog eens angstig om zich heen keek alvorens de man vragend aan te kijken. ‘Is dit... de hel?’
De man vertrok zijn bleke gezicht in een verachtelijke grimas en snoof. ‘Waarom denken mensen toch altijd meteen aan de hel?’
‘Het is gewoon... de omgeving. De rode hemel. Het verdorde land. En... jij.’
Gregors laatste vaststelling krulde de mondhoeken van de man omhoog in een sardonische grijns. Hij liet een schattende blik over zichzelf gaan en zei: ‘Hm, daar heb je een punt.’
Met een sprong verruilde hij de boom voor de grond. Er vloog wat stof op toen zijn geschoeide voeten de aarde raakten.
‘Om je uit de droom te helpen,’ sprak de man, ‘ik ben de Dood.’
Gregor voelde zijn adem stokken. De Dood? De man tegenover hem leek absoluut niet op de plaatjes die Gregor kende van de Dood. Hij droeg geen wijde, zwarte mantel, had geen zeis bij zich en had geen doodshoofd als gezicht. Zijn postuur was lang en smal en zijn huid zag onnatuurlijk bleek. Hij ging gekleed in een nauwsluitend zwart overhemd met lange mouwen en een zwarte pantalon. Daaronder droeg hij een paar glimmend zwarte schoenen waarop het stof geen vat leek te hebben.
De Dood lachte om Gregors verbijsterde blik. Hij leek precies te begrijpen waar hij aan dacht en grijnsde breed.
‘Zelfs ik ga met de tijd mee. Sinds Scary Movie is de mens niet meer onder de indruk van mijn oude image.’
Na zijn grapje werd zijn gezicht ernstig.
‘Laten we ter zake komen. Je bent verbaasd dat we elkaar treffen, maar gezien de gebeurtenissen zou onze ontmoeting geen verrassing voor je moeten zijn.’

Verder lezen? Stel je boek samen bij Parelz!

Naar boven


Gruwelkelder

De geur van uitwerpselen streed zij aan zij met die van de dood. Beide leken vast van plan om de indringers te verjagen en buiten de poorten van hun domein te houden. In dit geval het huis van Tara’s overleden opa.
“Jullie blijven hier, wij rijden de eerste lading troep naar gemeentewerken.”
“Maar mam...”
De blik die Tara van haar moeder kreeg, behoefde geen woorden. Sinds Lenie Vermeulen haar vader dood in bed gevonden had, waar hij al bijna twee weken lag te vergaan, had ze een humeur om op te schieten. Lijdzaam keek Tara toe hoe haar moeder instapte en verder ruziede met haar vriend. Die reed veel te hard weg, het grind van de oprit spatte op vanonder de banden. Tara ving nog net een glimp op van het kibbelende tweetal, voor ze zich omdraaide en terug het huis in slenterde. Ze vermeed het om naar de kelderdeur te kijken. Daarachter woonde immers de moordenaar van haar oma. Hoewel het niet koud was, rilde ze. Ze wreef over haar dunne bovenarmen en keek de huiskamer in. Daar stond Niels te rommelen in de lades van de antieke kast.
“Kijk eens!”
Triomfantelijk hield hij een gouden armband omhoog.
“Die ga je toch wel aan mama geven?”
De ogen van Niels begonnen boosaardig te schitteren. Hij liep op Tara af en grijnsde.
“Waarom zou ik? Jij gaat vast niet verklappen dat ik hem gevonden heb.”
Tara deinsde achteruit. Niels was een kop groter en zeker twintig kilo zwaarder dan zij.
“En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg ze in een opwelling van dapperheid.
Niels propte de armband in zijn broekzak en greep haar bij haar schouders.
“Waarom? Omdat ik weet waar jij bang voor bent. Het bangst van alles.”
Hij bewoog zijn gezicht naar het hare en lachte. Zijn adem stonk naar een mix van cola, chocolade en chips. Walgend probeerde Tara zich uit zijn greep te bevrijden. Het angstzweet brak haar uit. Hij zou toch niet... Maar Niels duwde haar de gang in.
“Laat me los!”
“Dat dacht ik niet. Jij zult je mond houden, omdat ík het zeg.”
Zijn vingers boorden zich in haar bovenarmen. Tara’s hart bonsde in haar keel toen ze de muur in haar rug voelde. Links van haar was de kelderdeur die Niels met één hand opende. Een muffe geur sloeg hen tegemoet.
“Laat me los, Niels! Ik wil het niet! Alsjeblieft, niet doen!”
Haar smeekbede haalde niets uit. Onverbiddelijk sleurde Niels haar naar de kelderopening. Op het plateautje voor de keldertrap dwong hij haar op haar knieën. Achter haar lonkte het duister, dat met gretige vingers haar trillende lijf streelde. Tara probeerde te voorkomen dat Niels haar zou opsluiten en klauwde wanhopig naar zijn benen. Tevergeefs. Met een klap sloeg hij de deur dicht en draaide de sleutel om in het slot. Tara veerde onmiddellijk overeind en gilde.
“Laat me eruit, Niels! De spin is hier!”

Lees hier verder: fantastiek.weebly.com

Naar boven


Na de crash

Dit korte SF/horror-verhaal speelt zich af op aarde, maar gaat over een heel bijzonder, buitenaards huisdier. Ik haalde er de zesde plaats mee bij de Unleash Award van het voorjaar van 2007. Daarmee was ik de hoogste binnenkomer c.q. nieuweling aan de wedstrijd, wat me een heerlijke fles wijn opleverde!

De klap volgde op een moment van puur genieten. De Verzorger omvatte hem aan alle kanten en kneedde zijn lijf, terwijl kirrende geluidjes aan hem ontsnapten. Knorrend genoot hij van het interwezenlijk contact, dat deze keer echter bijzonder kort duurde. De ruimte waarin ze zich bevonden, begon te schudden en te trillen, een snerpend geluid teisterde zijn gehoor en eindigde abrupt, tegelijk met de klap.

Hij moest echt even bijkomen. De geuren rondom hem waren uitermate indringend. Hij schakelde zijn zicht in en nam de omgeving in zich op. Het duurde even voor hij gewend was aan de scherpte van de kleuren. Laag zag hij voornamelijk groen, bruin en felgeel, terwijl boven hem een helder blauwe kleur overheerste, afgewisseld met wat beweeglijk wit. De lucht die tot hem kwam, was totaal anders dan hij gewend was. Desondanks nam zijn luchttoevoer deze zonder problemen op.

Lees hier verder: fantastiek.weebly.com

Naar boven


Het spoor bijster

Ook hier speelt de vraag: is dit horror, of ontbreekt daarvoor het fantastische element? Het antwoord is duidelijk, toch wil ik benadrukken dat een verhaal zo'n element niet hoeft te hebben om afschuw te kunnen wekken...

“Geloof me, het is niet mijn idee, maar er is niets aan te doen. De grond is van ProRail, jullie hebben deze alleen maar in bruikleen. De directie heeft al toegezegd dat jullie allemaal schadeloos gesteld worden, precies zoals in de schriftelijke bevestiging van de procedure staat. Iedereen krijgt een mooi bedrag ter compensatie.”
De neerbuigende blik op het gezicht van de inspecteur van ProRail ergerde de bejaarde Mien mateloos. Dat kwam hier zomaar aanlopen, met een air van jewelste, om tegen haar en de hier verzamelde buurtjes te zeggen dat - hoe jammer hij het ook vond voor hen en ondanks hun bezwaren - alles toch tegen de vlakte moest. De graafmachines en bulldozers zouden over een week komen om de hele boel overhoop te gooien.
“Ja, en iedereen krijgt evenveel! Dat is toch oneerlijk? Sommigen hebben nooit wat aan hun tuintje gedaan, terwijl anderen er bloed, zweet en tranen hebben liggen,” gromde buurman Bas Slootkant.
Zijn woorden stuurden een niet onaangename rilling over Miens ruggengraat. Bas moest eens weten hoe waar zijn woorden waren. De man van ProRail haalde zijn schouders op. “Het is niet anders. Maar zeg nou zelf: het is een meer dan redelijk bedrag. Zorg er alsjeblieft voor dat aan het eind van de komende week alles van waarde hier weg is, dan kan de klus zonder problemen geklaard worden.”
En daarmee was de kous af.
De buurtjes mopperden flink en ook Miens echtgenoot Anton deed volop mee. Hij leunde op zijn hark, zijn mond verbeten, zijn blauwe ogen venijnig. Ondanks zijn hoge leeftijd oefende hij nog steeds aantrekkingskracht op Mien uit. Zij kende de kracht van zijn schonkige lijf, de slagkracht van zijn nog altijd gespierde armen. Anton tilde zijn hark op en spuugde op de grond, vlak voor de voeten van de inspecteur. Diens vernietigende blik zocht contact met de harde ogen van de gepensioneerde slager en hij opende zijn mond om iets te zeggen.

Lees hier verder: fantastiek.weebly.com

Naar boven